Ik ben geboren in 1968. Ik behoor tot de generatie die begon theater te maken toen de muur van Berlijn viel…
In het theater werden de jaren ’80 – soms ook wel de ’jaren van de grote poen’ genoemd – gekenmerkt door een soms obsessionele aandacht voor het beeld en door een monumentale vormgeving waarin tekst en acteurs vaak verdronken. Sinds het begin van de jaren ’90 trachten wij, samen met een aantal andere gezelschappen, het woord en het lichaam van degene die het uitspreekt opnieuw op de voorgrond te plaatsen. Wij ontwerpen met onze vormgevers minder overweldigende scènebeelden en proberen tegelijkertijd, in samenwerking met de acteurs, de kunst van het luisteren in eer te herstellen na een tijd waarin het beeld oppermachtig heerste.
Ideologisch gezien onderscheiden we ons van onze voorgangers door een minder dogmatische benadering (sommigen onder hen zullen die wellicht, ietwat paternalistisch, ‘apolitiek’ noemen). Terwijl de monumentale scènebeelden moeten wijken voor een ruimte waarin het woord zich opnieuw kan ontplooien, komt er ook sleet op de ideologische benadering van het theater en de vaste overtuigingen die ze in haar kielzog meesleepte. Zo kunnen een aantal ideeën die van het toneel verbannen werden, opnieuw de weg erheen vinden. Intimiteit, door de voorstanders van het ‘theater als bewustmaking’ een twintigtal jaar lang afgedaan als een burgerlijke en beschamende bedoening, krijgt opnieuw een plaats. Niet als een bangelijke en kleinburgerlijke manier om zich af te zonderen van de wereld, maar wel als een van de twee polen die de bestaansreden van het theater uitmaken: het theater ontstaat waar het ik en de wereld elkaar ontmoeten…
Wat het repertoire betreft, maakt het gezelschap van in het begin zijn keuzen vanuit de wens te peilen naar de moeilijke verhouding tussen de intimiteit en de wereld. Ook al zijn al deze auteurs zeer verschillend, en al behoren ze tot verschillende periodes, Strindberg, von Horváth, Adamov, Kalisky, Cormann en Pourveur confronteren allen op een hoogst eigen en poëtische manier de persoonlijke sfeer met de samenleving. Hun teksten gaan elke belerende vereenvoudiging uit de weg, zijn onmogelijk bondig samen te vatten, staan bol van de tegenspraak, zijn dubbelzinnig, ondoorgrondelijk, complex, ja zelfs ‘onmogelijk op te voeren’. Ze confronteren ons met onszelf en met onze slechte kanten, en ze zijn zeer veeleisend voor wie hen op het toneel wil brengen, want ze verlangen van de acteurs een al even uitzonderlijke manier van belichamen. De stemmen die wij graag laten horen, maken komaf met de oude regels van het Franse classicisme. Ze aarzelen geen seconde om in een en hetzelfde werk verfijnd en banaal, fijnzinnig en sappig uit de hoek te komen. Want het theater is dan misschien een dochter van de spiritualiteit, haar vader is een dronken nar die boeren laat in zijden kleren en scheten in de soep. Zo is het theater, en uiteindelijk ook de wereld: tegelijk oneindig kostbaar en oneindig futiel …
Michael Delaunoy
Artistiek leider van l’envers du théâtre